Ik spreek de woorden langzaam uit. Niet als geloofsbelijdenis. Niet als dogma. Gewoon als zin.. Als klank in de ruimte.
Vrede op aarde,
in de mensen een welbehagen.
Mijn geschiedenis loopt mee. Een gereformeerd gezin, vertrouwd met bijbel teksten, psalmen, regels, orgelspel Later de behoefte om te splitsen: Geloof als iets persoonlijks, Religie als iets dat vaak te dwingend werd, te voorschrijvend, te betrokken bij macht en conflict. De wereldgeschiedenis vertelt die spanning genadeloos na.
En toch zit ik hier, met die ene zin.
Ik zie de beelden van oorlog: steden in puin, mensen op de vlucht, kinderen die de taal van geweld eerder leren dan die van vertrouwen. Ik hoor religieuze taal gebruikt worden als wapen, als rechtvaardiging, als claim op waarheid. Vrede op aarde lijkt dan een verre echo, niet meer dan een liturgische formule uit een andere tijd.
Toch laat ik de zin nog niet los.
Ik ga er weer even bij zitten. Wat als ik hem niet lees als beschrijving, maar als uitnodiging? Niet: “zo ís het”, maar: “zo zou het kunnen zijn”? Vrede op aarde. Niet als wereldwijde utopie, maar als micro-praktijk: een gesprek waarin ik niet hoef te winnen. Een grens in mezelf waar ik zachtjes overheen stap. Een oordeel dat ik even laat uitdoven, in plaats van direct te voeden.
“In de mensen een welbehagen.”
Misschien kun je dat horen als: er is, ergens onder alle lagen van angst, schaamte, overtuiging en religieuze teksten, een fundamentele waardigheid. Een “ja” op mens-zijn, vóór alle systemen, vóór alle partijen, vóór alle oorlogen.
Ik weet dat religies die woorden hebben gekleurd, toegeëigend, gebruikt. Ik weet dat juist kerken, moskeeën, tempels onderdeel kunnen zijn van de keten die geweld in stand houdt. Dat besef wil ik niet wegpoetsen. Het hoort bij de eerlijkheid.
En dan blijft er iets over als ik de systemen even weg zet. Dan blijft er een mens over tegenover mij. En nog een. En nog een.
Kun je dán nog iets met “welbehagen”? Met de gedachte dat het mogelijk is om de ander niet eerst als risico, vijand, ketter of concurrent te zien, maar als mens die net zo goed zoekt, vreest, hoopt?
In gedachten luisteren naar deze zin betekent voor mij niet: accepteren dat de wereld “eigenlijk al vredig is”.
Het betekent eerder: elk jaar weer even gaan zitten met de vraag welke kleine, concrete plek ik zélf kan kiezen voor vrede – en of ik het aandurf om nog steeds in mensen, inclusief mezelf, iets van welbehagen te blijven veronderstellen, ondanks alles wat daar tegenin schreeuwt.
Een zin om bij stil te zijn
“Vrede op aarde, in de mensen een welbehagen.”
Ik spreek de woorden langzaam uit.
Niet als geloofsbelijdenis.
Niet als dogma.
Gewoon als zin..
Als klank in de ruimte.
Vrede op aarde,
in de mensen een welbehagen.
Mijn geschiedenis loopt mee.
Een gereformeerd gezin, vertrouwd met bijbel teksten, psalmen, regels, orgelspel
Later de behoefte om te splitsen:
Geloof als iets persoonlijks, Religie als iets dat vaak te dwingend werd, te voorschrijvend, te betrokken bij macht en conflict.
De wereldgeschiedenis vertelt die spanning genadeloos na.
En toch zit ik hier, met die ene zin.
Ik zie de beelden van oorlog:
steden in puin, mensen op de vlucht, kinderen die de taal van geweld eerder leren dan die van vertrouwen.
Ik hoor religieuze taal gebruikt worden als wapen, als rechtvaardiging, als claim op waarheid.
Vrede op aarde lijkt dan een verre echo, niet meer dan een liturgische formule uit een andere tijd.
Toch laat ik de zin nog niet los.
Ik ga er weer even bij zitten.
Wat als ik hem niet lees als beschrijving, maar als uitnodiging?
Niet: “zo ís het”,
maar: “zo zou het kunnen zijn”?
Vrede op aarde.
Niet als wereldwijde utopie, maar als micro-praktijk: een gesprek waarin ik niet hoef te winnen.
Een grens in mezelf waar ik zachtjes overheen stap.
Een oordeel dat ik even laat uitdoven, in plaats van direct te voeden.
“In de mensen een welbehagen.”
Misschien kun je dat horen als:
er is, ergens onder alle lagen van angst, schaamte, overtuiging en religieuze teksten, een fundamentele waardigheid.
Een “ja” op mens-zijn, vóór alle systemen, vóór alle partijen, vóór alle oorlogen.
Ik weet dat religies die woorden hebben gekleurd, toegeëigend, gebruikt.
Ik weet dat juist kerken, moskeeën, tempels onderdeel kunnen zijn van de keten die geweld in stand houdt.
Dat besef wil ik niet wegpoetsen. Het hoort bij de eerlijkheid.
En dan blijft er iets over als ik de systemen even weg zet.
Dan blijft er een mens over tegenover mij.
En nog een.
En nog een.
Kun je dán nog iets met “welbehagen”?
Met de gedachte dat het mogelijk is om de ander niet eerst als risico, vijand, ketter of concurrent te zien, maar als mens die net zo goed zoekt, vreest, hoopt?
In gedachten luisteren naar deze zin betekent voor mij niet:
accepteren dat de wereld “eigenlijk al vredig is”.
Het betekent eerder: elk jaar weer even gaan zitten met de vraag welke kleine, concrete plek ik zélf kan kiezen voor vrede – en of ik het aandurf om nog steeds in mensen, inclusief mezelf, iets van welbehagen te blijven veronderstellen, ondanks alles wat daar tegenin schreeuwt.