Idee van Entiteit? Identiteit?

Soms komen in een gesprek onderwerpen aan de orde die er ogenschijnlijk weinig toe doen, maar die ineens een heel andere vraag oproepen.
Ik sprak laatst met een vrouw over de transitie van haar zoon. Zij kende de zorgsector uitstekend en maakte zich zorgen over de vanzelfsprekendheid waarmee volgens haar op jonge leeftijd stappen in een transitie kunnen worden gezet.
Ook verbaasde zij zich over wat daarin wel en niet door de zorg wordt vergoed. Zij vroeg zich zelfs af of er inmiddels ook financiële belangen een rol spelen.
Maar tijdens ons gesprek raakte mij eigenlijk een andere vraag.
Wat bedoelen wij wanneer wij zeggen dat iemand zichzelf wil zijn?
In coaching heb ik daar vaak op gereageerd met de vraag:
Hoe weet je dat je niet jezelf bent?
Dat klinkt misschien flauw, maar ik vind het helemaal geen eenvoudige vraag.

Je bent fysiek altijd jezelf. Maar geldt dat ook voor wat wij ons mentale zelf noemen? Gedachten die bij je opkomen, komen bij jou op. Gevoelens die je ervaart, ervaar jij. Gedrag dat je vertoont is waarneembaar. Maar waar bevindt zich dan dat andere ‘zelf’ waarmee je dit alles vergelijkt?
Wie ben je eigenlijk?
Ben je je lichaam?
Je gedrag?
Je denkpatronen?
Je gevoelens?
Of is wat wij identiteit noemen een idee dat wij in de loop van ons leven over onszelf ontwikkelen?
Idee van entiteit
Een kind begint al jong onderscheid te maken tussen zichzelf en de ander. Dit ben ik. Dat ben jij. Dit is van mij en dat is van jou.
Langzaam ontstaan ook andere verschillen. Ik doe dit anders dan jij. Ik vind iets mooi wat jij niet mooi vindt. Ik kan iets goed waar een ander moeite mee heeft.
Zo ontstaat misschien een idee van entiteit.
Een voorstelling van datgene wat ik als ‘mij’ beschouw.
Later geven wij daar allerlei woorden aan. Sterk, onzeker, intelligent, verlegen, stoer, zacht, mannelijk, vrouwelijk, succesvol, gevoelig.
En op enig moment noemen we die verzameling misschien onze identiteit.
Maar wat hebben we dan eigenlijk waargenomen?

Tijdens het gesprek vroeg ik de vrouw hoe het voor haar voelde om vrouw te zijn.
Zij moest daar lang over nadenken.
Uiteindelijk zei zij dat zij zich eigenlijk nooit bewust ‘vrouw’ had gevoeld of benoemd. Zij wist evenmin hoe het zou voelen om man te zijn, of een van de andere variaties die wij inmiddels benoemen.
Zij kon wel gedrag herkennen.
Zij kon aangeven wat zij stoer vond, sterk, zacht of verleidelijk. Ook kon zij gedrag benoemen dat in onze cultuur eerder als mannelijk of vrouwelijk wordt gezien.
Maar het specifieke gevoel man of vrouw te zijn kon zij niet beschrijven.
Ik merkte dat ik het zelf ook niet zo eenvoudig kon.

Wat voelen wij eigenlijk?
Ook het benoemen van gevoelens blijkt vaak ingewikkeld.
Wanneer ik iemand vraag: Wat voel je? krijg ik regelmatig een gedachte als antwoord.
Daarom vraag ik soms verder.
Waar voel je het?
Kun je het aanwijzen?
Heeft het een vorm?
Een beeld?
Een geluid?
Een smaak of geur?
Dan blijkt hoe snel wij woorden gebruiken voor ervaringen die veel moeilijker rechtstreeks waarneembaar zijn.
Misschien geldt dat ook voor identiteit.
We gebruiken een woord en het woord krijgt vervolgens bijna de betekenis van iets dat werkelijk ergens aanwezig is.

Dat fascineert mij ook binnen de psychiatrie.
Wij nemen gedrag waar. Mensen vertellen ons gedachten, ervaringen en gevoelens. Wij meten inmiddels steeds meer processen in het brein.
Vervolgens ordenen wij waarnemingen, herkennen patronen en geven die een naam.

Maar heeft u ooit een persoonlijkheid waargenomen?
Of zag u gedragingen waaruit u een persoonlijkheid afleidde?
Heeft u ooit een geest of een ziel gezien?
Of zijn het begrippen waarmee wij proberen betekenis te geven aan iets wat we ervaren, maar moeilijk rechtstreeks kunnen waarnemen?

Dat maakt zulke begrippen voor mij niet waardeloos. Integendeel. Ze kunnen bijzonder bruikbaar zijn.
Maar misschien helpt het wanneer wij ons blijven realiseren dat onze woorden en modellen niet automatisch hetzelfde zijn als de werkelijkheid waarnaar ze proberen te verwijzen.

En dan transitie
Voor de vrouw met wie ik sprak maakte ons gesprek het vraagstuk niet eenvoudiger.
Misschien juist ingewikkelder.
Toch leek dat mij geen bezwaar.
Over ingewikkelde vragen praten kan voorkomen dat we te snel eenvoudige antwoorden gaan geven.

Mijn advies aan haar was daarom om deze vragen niet alleen zelf te blijven overdenken, maar ze ook samen met haar zoon en zijn zorgverleners te bespreken.
Niet om zijn werkelijkheid te ontkennen.Wel om nieuwsgierig te blijven naar wat ieder van hen ervaart, bedoelt, vreest en nodig heeft.
Want wanneer één mens in een gezin een fundamenteel andere betekenis gaat geven aan wie hij of zij is, verandert er onvermijdelijk ook iets in de mensen daaromheen.
In hun verwachtingen.
Hun taal.
Hun beelden.
Hun relaties.

Misschien is een transitie daarom altijd óók een systemische transitie.
En misschien geldt dat uiteindelijk voor iedere grote verandering in onze identiteit.
Of moeten we zeggen:
in ons idee van entiteit?